fbpx

Het zou de tekst van een liedje kunnen zijn: “Antropoceen, we kunnen er niet omheen/ we moeten ons leven veranderen en in de natuur wandelen/ vlees gaat onze neus voorbij en kunstmest hoort er niet meer bij.” Inderdaad dwingt de door mensen veroorzaakte klimaatopwarming tot een ander leven – en vooral tot andere eetgewoonten, landbouwpraktijken en landbouwpolitiek. Maar de antwoorden verschillen hemelsbreed op de vraag wat die andere levens- en eetgewoonten, landbouwpraktijken en landbouwpolitiek dan moeten zijn. Wereldwijd bestaan er drie heel verschillende benaderingen van die belangrijke dimensies van het menselijk bestaan in het Antropoceen.

 

Tekst // Michiel Korthals
Beeld // Alessandro Vargiu & Francesa Cirilli

 

Drie benaderingen

‘Ecomodernisme’ is een steeds luider wordende antropocentrische benadering die ‘Halleluja’ roept, en de menselijke beheersing over de aarde en uiteindelijk over andere planeten wil versterken. Mark Lynas is een bekende representant; hij spreekt over de mens als ‘The God Species’ (Lynas, 2011). Hij ziet de oplossing in kweekvlees, genetische modificatie van planten en dieren zodat de opbrengsten flink stijgen, monoculturen en grootschaligheid. Maar deze oplossingen staan nog maar in de kinderschoenen en zijn toekomstdromen. Dan is er een pessimistische benadering, die treurmissen componeert over de tevergeefsheid van plannen en handelingen om de mens en de wereld te redden. Clive Hamilton, schreef hierover een ‘Requiem for a Species’.

 

 

Vanaf het moment dat de mensen landbouw gingen bedrijven en in de aarde ging wroeten, ging het fout. We zijn een ten dode gedoemde soort en kunnen ons beter terugtrekken in kleine gemeenschappen die zich spiritueel voorbereiden op het einde, aldus deze auteur. Ten slotte is er een gematigde positie die er het beste van wil maken via energietransities en natuurinclusieve (biologische en agroecologische) landbouwtechnieken, veranderd eetgedrag, en grote sociale, politieke en bestuurlijke veranderingen met betrekking tot landbouw- en voedselbeleid (Tittonell, 2013).

Aanhangers van de eerste en derde positie vliegen elkaar vaak in de haren. De discussie tussen die posities is behoorlijk asymmetrisch, omdat de ecomodernistische positie heel goed aansluit bij het dominante landbouw- en voedingsregime van de afgelopen jaren. Net als dat laatste regime heeft de ecomodernistische positie geen oog voor armoede, kleine boeren, dierenleed en de positie van burger-consumenten. Maar anders dan de ecomodernisten denken, zien veel consumenten voedsel niet alleen als brandstof, maar ook als uitdrukking en drager van hun identiteit en sociale relaties. De ecomodernisten verwijten de derde positie dat ze niet op willen stappen in de ‘trein van moderne biotechniek’ en dat hun natuurinclusieve landbouwvisie tot honger leidt, en daarmee tot grote sociale ontwrichtingen. ‘Wanneer heel Afrika overgaat op agroecologie dan staan Afrikaanse vluchtelingen voor de grenzen van Europa’ wordt er gezegd.

Deze posities verschillen vooral in de waarden die eraan ten grondslag liggen. In de concrete praktijken kan er veel overlap en leentjebuur zijn. De ecomodernistische positie radicaliseert de moderne waarden van de mens als heerser over de natuur. Technologie speelt er de belangrijkste rol, niet de sociale verbanden en respect voor natuur. De factoren die tot de problemen van het Antropoceen hebben geleid, worden daarmee tot de oplossing uitgeroepen. In de tweede, pessimistische positie wordt als oplossing aanbevolen dat geheel afscheid moet worden genomen van moderne uitgangspunten zoals wetenschappen, mondiale solidariteit en maatschappelijke ontwikkeling. De contradictie is hier dat een notie als Antropoceen, en de daarmee gegeven problemen op basis van diezelfde moderne uitgangspunten zijn ontdekt. Solidariteit wordt ingeperkt tot gemeenschapsgenoten en ontwikkeling en technologie worden afgewezen. Er zijn maar heel weinig mensen die in deze sobere ecologische dorpsgemeenschappen willen leven, dus de kans op het
realiseren ervan is vrij klein.

 

Agroecologie

Het is daarom tijd dat naar de derde positie wordt gekeken. De derde positie gaat uit van het adagium ‘think globally, act locally’. Landbouw zal zoveel mogelijk lokaal moeten worden, en indien het niets anders kan, boven lokaal. Dit betekent dat meebewogen wordt met lokale natuurprocessen, en dat die worden geselecteerd wanneer ze bijdragen aan uiteindelijk duurzame, gezonde voedingswaarden en een goede smaak. Globalisering betekent hier niet ondoorzichtige globale handelsnetwerken van voedingsmiddelen die van hot naar her vervoerd worden op basis van de laagste prijs. Globalisering betekent hier nieuwe vormen van globale netwerken waarbij de verschillen tussen landbouwgebieden, die enorm zijn, worden gevierd en een bron zijn van nieuwe, leerzame sociale contacten bijvoorbeeld via nieuwe media. Lokale landbouw kan ecologisch en sociaal duurzaam zijn, en is niet per definitie verstorend voor ecosystemen.

Dat blijkt ook uit het feit dat de verschillende vormen van landbouw die omstreeks 15.000 jaar voor christus in alle continenten opkwamen, niet allemaal ecologisch desastreuse consequenties hebben gehad. Een goed voorbeeld van een vorm van landbouw, die enorm veel voedzame producten op duurzame wijze opleverde, is de milpa, het landbouwsysteem in Midden- en Zuid-Amerika. Dit landbouwsysteem gebruikt strokenlandbouw, het dicht bij elkaar planten van verschillende gewassen, zodat die plagen al naar gelang beperkt toelaten of afweren. Ook werden gewassen tegelijkertijd geplant in twee of meer lagen, dus in de bodem knollen, dan erwten en andere vlinderbloemigen,
vervolgens mais, op mais eiwitrijke schimmelsoorten en dan bomen zoals acacia’s (zie Mann, 2005). Sommige bossen ontstonden duizenden jaren geleden door weer een andere vorm van landbouw. De regenbossen van de Amazone bijvoorbeeld zijn ontstaan door een specifieke vorm van landbouw van de Amazone bewoners. Zij hakten en brandden er lokaal op los, met als resultaat een enorme rijkdom aan biodiversiteit (Hecht & Cockburn 1990). Wanneer men graaft in de bodem van het Amazonewoud dan vindt men overal resten van bebouwing.

 

 

Met name de milpa, de eerder vermelde eeuwenoude, natuurinclusieve vorm van landbouw is in Midden- en Zuid-Amerika en Afrika de afgelopen dertig jaar verfijnd, en wordt ook in Westerse landen onder de naam van agroecologie steeds meer toegepast. Agroecologie is niet alleen een vorm van landbouw, maar is ook nauw verbonden met bepaalde patronen van consumptie. De focus ligt op voeding voor mensen, dus veevoer productie voor dierlijke productie speelt een ondergeschikte rol. Ongebreideld dierlijke producten eten zit er dus niet in. Maar de enorme rijkdom aan groente en fruit die overal te vinden is (behalve op de Zuid- en Noordpool) en overal anders is, geeft de consumenten een grote variatie van lekkere en gezonde etensproducten en tegelijk een heel gevarieerd landschap. Biodiversiteit, agrobiodiversiteit en diversiteit van voedselkeuzen hangen heel nauw met elkaar samen, en via ecologisch verantwoorde boeren ook met menselijke diversiteit. Leven in het Antropoceen kan dus een veel gevarieerder en daarmee ook gezonder menu opleveren. De kleinere plaats voor dierlijke producten betekent dat voedingsproductie veel dichter bij mensen kan worden uitgevoerd. Zodra er veel vlees, melk en andere dierlijke producten worden gegeten en gedronken, is de kans groot dat de productie zich van de consumenten verwijderd. Grootschalige dierlijke productie vereist nu eenmaal een grote hoeveelheid land voor veevoer (op dit moment ongeveer 80% van het mondiale landbouwareaal).

Daarmee wordt een andere waarde zichtbaar van de agroecologische landbouw: het houdt de verbinding tussen voedselproductie en consumptie in stand. De consumenten vervreemden niet van de productie, zoals in het huidige dominante voedsel- en landbouwregime, met alle nadelige gevolgen van dien, zoals verspilling en overgewicht (Korthals, 2018). Ten slotte, in de agroecologische benadering heeft de bodem een belangrijke waarde. Deze waarde vertaalt zich in grote aandacht voor verrijking van de bodem via compostering en de zorgvuldige keuze van combinaties van gewassen die elkaar aanvullen wat betreft voedingsbehoeften. Organische mest is daarom veel minder nodig. Agroecologie leidt dus niet tot een veel groter ruimtebeslag en de wilde natuur kan voldoende ruimte krijgen.

Consumenten bemoeien zich met groente- en fruitboeren, via gesprek, consultatie, communicatie of handen uit de mouwen. Overigens hoeft niet alle voedselproductie kleinschalig te zijn; het gaat om zoveel mogelijk lokaal. Granen, suiker, en andere bulkproducten kunnen vaak moeilijk kleinschalig en lokaal worden geproduceerd. Maar met behulp van agroecologie kan de productie daarvan wel veel duurzamer, bijvoorbeeld via strokenlandbouw en agroforestry. Voor weer andere producten, zoals koffie en thee, is duurzame en eerlijke handel een goede oplossing. Filosofisch en levensbeschouwelijk heeft dat grote voordelen, omdat de menselijke omgang met de natuur daarmee niet verdort en uiteindelijk verschraalt tot een twee dimensionaal gebeuren via kant-en-klaarmaaltijden, televisie en andere beeldschermen. Voeding wordt daarmee meer dan voeding die vult, maar een aanleiding of zelfs oorzaak van genieten, alleen en samen met anderen. Het genieten betreft dan niet alleen de individuele hap, maar strekt zich ook uit over het productieproces vanwege het besef dat de productie van die hap aarde en boeren goed doet. Eten wordt een proces van goeddoen, niet alleen van maagvullen. Eten is meer dan eten. Essentiële menselijke individuele en sociale voedselvaardigheden zoals goed kunnen proeven en goed kunnen koken, kunnen daarmee tot ontwikkeling komen en zowel mondigheid over wat je in je mond stopt, bevorderen, als ook het besef van betekenis en waarden van eten versterken.

 

Conclusie

Het Antropoceen dwingt dus eigenlijk om goed na te denken over welke waarden en daarmee welke richtingen mensen onderschrijven wanneer ze zich bezighouden met voeding. Het chemisch, intensieve landbouw- en voedingsregime van het verleden, dat in hoge mate tot de problemen van het Antropoceen heeft bijgedragen, heeft zijn onschuld verloren, hoewel het nog steeds dominant is. Maar business as usual is onmogelijk. De mogelijkheden om de belangrijkste problemen van het Antropoceen succesvol aan te pakken zijn heel verschillend, zeker als je naar landbouw en voeding kijkt. Op dit moment zijn er veel plekken in de wereld waar agroecologisch wordt gewerkt, en waarbij de resultaten opzienbarend zijn, zowel qua opbrengst als qua ecologische en sociale impact (Korthals 2018). Het enthousiasme van mensen die werken in de agroecologie, is opmerkelijk. Dit is niet het enthousiasme van een kleine groep wetenschappers en technologen, maar van boeren (ongeveer 3 miljard mensen zijn boer) die weer zin krijgen in verantwoord werken en zich als zodanig gerespecteerd voelen. In het westen is deze benadering nog niet doorgedrongen. Maar ook deze Aardebewoners, om Latour (2017) te citeren, staan wel voor de keuze hoe om te gaan met die verschillende waarden en concrete uitwerkingen van de verschillende landbouw- en voedselregimes. Voor burger-consumenten is er in ieder geval een ethisch verantwoord voorschrift: bemoei je zoveel mogelijk met de processen die voorafgaan aan het eten op je bord.

 

Literatuur
  • Hecht, S., Cockburn A. (1990) The Fate of the Forest; Developers, Destroyers and Defenders of the Amazon. New York: Columbia University Press.
  • Korthals, M. (2018) Goed Eten. Filosofie van voeding en landbouw. Nijmegen: Uitgeverij Vantilt.
  • Latour, B. (2017) Facing Gaia: Eight Lectures on the New Climatic Regime. Polity Press.
  • Lynas, M. (2011) The God Species: How the Planet Can Survive the Age of Humans. London: Harper Collins.
  • Mann, C.C. (2005) 1491. New Revelations of the Americas Before Columbus. New York: Vintage Books
  • Shepard, M. (2013) Restoration Agriculture: Real-World Permaculture for Farmers. Texas: Acres USA Inc.
  • Tittonell, P.A. (2013) Farming Systems Ecology. Towards ecological intensification of world agriculture. Wageningen: Wageningen University.

 

– Michiel Korthals is professor Filosofie aan de Universiteit van Gastronomie in Pollenzo / Bra te Italië en emeritus professor Toegepaste Filosofie aan de Vrije Universiteit en Wageningen Universiteit. In het voorjaar van 2018 verscheen zijn boek ‘Goed eten. Filosofie van voeding en landbouw’. Daarnaast is hij voorzitter is van Slow Food Gooi, Eem- en Vecht.

– Slow Food nodigt diverse schrijvers uit om hun mening te delen op onze website. Dit artikel is de persoonlijke mening van de schrijver. Wil je reageren? Dat kan onder de Facebook post die bij deze blog hoort.

Bovenstaande tekst is eerder ingestuurd naar het Podium voor Bioethiek (BVBe).