fbpx
Enfin ce n’est que un boisson”, zoals bevriende wijnmaker Arnaud Combier het ooit poneerde. Uiteindelijk is het maar een drankje, wijn.

 

Zeker, maar toch…

Komende september is het tien jaar geleden dat de Youth Food Movement haar eerste verjaardag vierde (en Vleck zijn vierde). In de Goudfazant in Amsterdam kwamen toen zo’n 300 jeugdigen met gevoel voor de aarde bijeen en Vleck was door de organisatie uitgenodigd zijn ‘vin naturel’ te introduceren en te schenken voor de ‘jeugd’ in beweging. Tien jaar (nog maar!) geleden was dat nog eens een nieuw dingetje, in een obscuur hoekje, die natuurwijn.

 

 

Proeven

Vleck was niet dé pionier, dat was Helmer Otterman met zijn ietwat, jazeker, obscure uitdragerij op de Keizersgracht, waar Vleck zijn unieke opleiding mocht genieten. Opleiding? Zes jaar lang maar één antwoord: is het lekker, of niet. Geen geneuzel over een hint van lychee op een bed van kreupelhout. Nee gewoon; is het lekker? Krijg je er een glimlach van op de lippen? Kan je er in je eentje een flesje van op? Zo leerde ik proeven, schaven aan het palet en mijn eigen smaak ontwikkelen. Dag in dag uit: is het lekker? Of is het vies?

 

 

Vleck staat bijna 15 jaar op eigen benen met, inmiddels, een eigen definitie van wijn.

Wijn moet stromen als een fris beekje, het moet voelen als verse dauw tussen de tenen. Wijn moet als water zijn, water met een smaakje. Goede natuurwijn is dat. Toen ik mijn eerste natuurwijn dronk – ik was net in de twintig en dat is dertig jaar geleden : ) – wist ik niet wat me overkwam. Wat is dit? Hoezo kende ik dit niet? Waarom drinkt niet iedereen dit iedere dag? Gegrepen als ik was door een soort oergevoel wist ik voor de rest van mijn leven: dit was wijn, en wat ik tot dan toe had gedronken kwam niet in de buurt.

De rest is geschiedenis. Vijftien jaar geleden, in Parijs, had je Le Repaire de Cartouche (vijftig jaargangen Raveneau voor de insiders), Châteaubriand (alles gekarafeerd, en terecht), le Baratin (de founding father toch wel en nog steeds favoriet, al was het maar wat ze af en toe per glas doen, wat dacht u van Selosse) en le Verre Volé (de eerste der hipster voorgangers), en dat was het wel zo’n beetje qua natuurschenkers.

 

 

Inmiddels telt elk quartier in Parijs zeker 10 natuurwijnbarren, of cavistes. Waar ik als opvolger van Otterman vijftien jaar geleden slechts twee collegae in de ‘natuur’ had (ook allebei uit de spin-off van de grote voorganger) staat de teller van natuurwijn-importeurs in Nederland inmiddels op twintig, of misschien dertig. Ik ben de tel kwijt. En wie niet ‘natuur doet’, doet zich dan toch maar voor alsof hij of zij toch ook (een beetje) natuur doet. Of het tegengestelde is het geval: ‘van natuur moeten wij niets hebben, wij importeren échte wijn, en geen cider-achtige ondrinkbare stinkende meuk’.

Alles beter dan…

Er was laatst een mevrouw in mijn winkel. Het was tweede Pinksterdag en ik was eigenijk niet open, maar nadat ze 5 minuten had moeten wachten omdat ik nog een klant uit de brand hielp, kon ze toch naar binnen, we zijn de rottigste niet. Ze vroeg om een Riesling en ik draaide me om om er twee te pakken uit het rek. Toen ik me weer omdraaide om de flessen te laten zien, vroeg ze verschrikt: ‘is dit allemaal natuurwijn?’ Waarschijnlijk herkende ze wel een soort van etiketten-stijltje. ‘What’s in the name’ zei ik, maar dat je dat zou kunnen stellen, zoiets. In een soort angststuip schreed zij achteruit, stamelde nog net in de deuropening: ‘dat is niks voor mij’, en weg was ze. Op Tweede Pinksterdag! Nadat ze toch echt even had moeten wachten, en er niet echt een alternatief voorhanden was!

Mijn 550 referenties die ik met mijn twintig jaar ervaring meticuleus had geselecteerd, werden op die ene grote berg gegooid, de natuurberg die deze dame verafschuwde. En zij verkoos haar biezen te pakken en waarschijnlijk water te drinken. Alles beter dan natuurwijn!

Onwetendheid: gelukzaligheid

En nu die andere klant. Een man die ik een wijn voorstelde, met de begeleidende woorden dat dit redelijk ruig was, een klein beetje ‘zo’n stinkertje’, ook wel ‘aan de funky kant van ons spectrum’. Ook hij schrok. ‘Maar verkoop je natuurwijn dan?’ Weer antwoordde ik bevestigend. En daar snapte hij weer niets van. Hij had namelijk toch best vaak wijnen van Vleck gedronken, maar die ‘vond hij helemaal niet natuur.’

Er zijn dus mensen die niet geloven dat de wijn die wij verkopen natuur is. Het smaakt bijna naar gewone wijn en het is niet eens troebel. Hè? En, au contraire, natuurwijn heeft inmiddels zo’n slechte naam gekregen in zekere kringen, dat alles waar de ‘N’ voor staat ongeopend de glasbak in kan, dus die mijden Vleck. Zij die niets van natuur moeten hebben, drinken in hun onwetendheid de schappen van de oudste natuurwijn-importeur van Nederland leeg. Zij die zonder te nuttigen de ‘N’ ontwaren, vluchten de straat op. Moeizaam verhaal dus.

 

 

Wat is hier aan de hand?

Ik denk dat de kern van het antwoord ligt in de kern van de Slow Food beweging. Want wijn maken is geen marketingtrucje, een fancy etiketje met okselhaar hier en een doodshoofdje daar. Het is een sloom en langzaam vak van fouten maken, tot je alle fouten gemaakt hebt die je kon maken. En dan ben je dertig jaar verder. Elke fout presenteert zich pas na een jaar, of na twee of nog meer. Toch drie dagen eerder oogsten volgende keer, toch eerder de temperatuur temperen in de fermentatie, eerder snoeien, later snoeien etc.

Het meesterlijke natuurwijn maken dat zich moeilijk laat onderscheiden van ‘gewoon’ wijn maken, dat kost gewoon tijd. Dat gaat langzaam. En ja, het is geweldig dat heel veel nieuwe wijnmakers, importeurs en consumenten gegrepen zijn door het natuurvirus. Maar helaas, het moet gezegd: als het lukt is het de hemel, maar we moeten toegeven dat op de markt veel, zeer veel onder de vlag van natuurwijn wordt verkocht dat de naam wijn inderdaad niet waardig is. In de haast om er bij te horen. En dat is erg jammer.

 

Om eerlijk te zijn…

hoewel het niet mijn ding is, kan ik goedgemaakte conventionele wijn best waarderen. Meer moeite heb ik met slecht gemaakte natuurwijn. Ik wordt dan narrig. Daar gaat ‘onze’ naam. Daar gaat 20 jaar arbeid om mensen te overtuigen dat natuurwijn veel en veel lekkerder is dan gewone wijn.

Er is natuurlijk de Slow Food-logica zal ik ‘m maar noemen, dat wijnen van druiven waar werk voor is verzet lekkerder zijn, en veel beter aanvoelen dan wijnen waar de spuit overheen is gegaan, en die vervolgens worden ‘getuned’ in de kelder. Maar dat is de conclusie die in het glas zit. En die conclusie, die kan je zelf trekken, door te voelen of het lijf aangeeft: ‘doe nog maar een slokkie’. Geloof me, dit is makkelijker dan je denkt en ook nog leuker.

 

 

Proef!

Dus sceptici en haters, lovers en nerds, hipsters en Slow Foodies, laat je niets wijs- maken. Iedereen kan wijn proeven en zijn mening vormen. Laat alsjeblieft jouw eigen mening niet uit de handen slaan door schreeuwers, meelopers en onwetenden. Proef, drink en denk; ‘lekker’, of beter nog, voel en denk ‘fijn’ en dank de producent, importeur, wijnverkoper, sommelier of vriend die deze gelegenheid schiep.

Of, proef en denk ‘vies’, voel en denk ‘niet fijn’ en – belangrijk – zeg dat ook vooral.

In de hoop dat de naam van de wijn die natuur heet langzaam weer een beetje gezuiverd wordt.

 

Zie blog over de eerste verjaardag van de Youth Food Movement:

vleckie.blogspot.com/2010/

 

Bijdrage:  Michiel ter Heide

Website:   Vleck.nl

Reactie:   communicatie@slowfoodamsterdam.nl